Enkele weken terug heb ik mijn rode stoel ingeruild voor een paarse. Het ging per ongeluk. Ik wilde niet per se ergens anders zitten; ik had inmiddels in mijn hoofd dat verwacht werd dat ik op de rode stoel zou plaatsnemen. Er was een tijd lang geen schuldgevoel, geen discussie met mezelf en wat er van me verwacht werd; de rode stoel was mijn stoel. Eind goed, al goed.

En toch ook weer niet.

Het was een druilerige maandagmiddag toen zich iets voordeed wat ik alleen maar kan omschrijven als onverwacht. Ik kwam op dezelfde tijd binnen als ik altijd doe, ik las mijn boek in de wachtkamer, zoals ik ook altijd doe, ik zorgde ervoor dat ik niet té veel in mijn boek verdween, zodat ik zou horen wanneer ik kon opstaan en op de rode stoel kon zitten. Niets ongewoons.

Tot ik de ruimte betrad.

‘Wil je thee?’ vroeg de psych en ik zei dat me dat wel wat leek. Thee is prettig op druilerige dagen, op koude dagen, op warme dagen, het maakt me allemaal niet zo veel uit. Hij liep de ruimte uit en ik liep vol bravoure door naar ”mijn” rode stoel. Maar zijn telefoon lag daar. Niet heel aanwezig. Niet in het midden van het zitvlak, maar wel ergens aan de zijkant. Alsof de telefoon uit de broekzak van het dure pak was gevallen en wachtte tot zijn baasje hem oppakte.

Ik stond daar maar te kijken.

Het was een optie de telefoon op te pakken, op het tafeltje te leggen en in de rode stoel te gaan zitten. Maar was dat echt een optie? Zou jij de telefoon van je psycholoog oppakken? Het voelde als inbreuk op privacy, zelfs als ik hem aan de randjes zou oppakken. Wat als het scherm zou oplichten? Wat als ik er per ongeluk op keek? Wat als hij zou denken dat ik stiekem had gekeken?

Ik bleef nog even staan en besloot toen de paarse stoel, de stoel waar Hij altijd op zit, te kiezen. Ik ging zitten. Verschoof wat naar links en rechts. Ik keek naar de telefoon die mijn plek niet alleen had ingenomen, maar ook een hele belangrijke boodschap afgaf: jouw psycholoog zit hier wél altijd en jij bent wél de enige die op de rode stoel gaat zitten en halve rondjes draait.

Voor mijn gevoel gingen er minuten voorbij voordat Psycholoog terug kwam. Al die tijd had ik naar die telefoon gestaard, alsof het gesprek al was begonnen en ik wachtte op zijn antwoord. Psycholoog kwam binnen en droeg de twee koppen thee in één hand, zoals altijd. Het moet fijn zijn om zulke grote handen te hebben dat je er twee koppen thee in kunt dragen.

Hij ging zitten, pakte zijn telefoon en stond weer op om hem op het bureau te leggen. Ik kreeg geen ”sorry dat mijn telefoon hier lag en jij daardoor al twee mini paniekaanvallen hebt gehad en je hebt afgevraagd hoe je nou verder moet in dit leven.”

Voor hem was dit alles heel normaal. Pas toen hij al bijna een minuut tegenover me zat, zei hij plotseling: ‘Hey! Je zit daar normaal nooit.’
‘Ja. Maar je telefoon lag er, dus…’ ik haalde mijn schouders op.
‘We zitten nu op ooghoogte.’ zei hij. ‘Normaal zit je een stuk lager. Ik heb je nooit zo in je ogen gekeken.’
‘O.’

Ja, wat moet je erop zeggen? Valt in de categorie: constatering waar geen goed antwoord op te vinden is en waar geen goed gesprek uit kan komen rollen. Dus ik zat daar maar. Ik keek hem aan. Hij keek mij aan. Ik keek weg omdat ik niet te lang wilde kijken (we zaten blijkbaar plotseling op ooghoogte) en de rest van de sessie was zoals anders, behalve dat ik aan de andere kant zat. En dat maakte dus alles anders.

De week daarop ging het weer mis. Ik kon opnieuw niet in de rode stoel, want er lag een kleine whiteboard op.
Goed, dat was iets was ik wél mocht oppakken, maar ik dacht dat hij misschien een boodschap wilde afgeven. Mijn psycholoog bedoel ik. Niet het bord.
Met gebogen hoofd nam ik opnieuw plaats op paars.

De week daarna nam ik eindelijk plaats op mijn vertrouwde rode stoel, maar ik werd verzocht in de paarse plaats te nemen, omdat dat handiger was voor de therapievorm. Ik moest dus opnieuw verkassen. En dat deed ik. Braaf.

Ik denk dat die laatste wissel me heeft genekt. Je kunt namelijk niet wisselen als je al drie keer op dezelfde stoel hebt gezeten. Dat is raar. Misschien zou Psycholoog ook zeggen dat het raar is, omdat we ”normaal” altijd op ooghoogte zitten. Blijkbaar gaan die dingen heel snel bij hem.

Het is zonder overdrijven bijna mijn levensdoel geworden om mijn rode stoel terug te krijgen. Afgelopen maandag was er een kleine kans, toen hij wegliep om thee te halen (die hij ook weer in één hand de kamer in droeg). En er lag ook niks op de stoel. Mijn rode stoel, de stoel van halve rondjes, kon weer van mij worden. Ik ging erop zitten zonder te twijfelen. Draaide wat heen en weer. Maar Psych had het raam open, waardoor ik binnen een halve minuut al verkleumde van de kou en opnieuw op de paarse stoel er tegenover ging zitten.

Dit alles lijkt misschien iets waarvan je kunt zeggen: waar maak je je nou druk om.
En ik begrijp dat, ik omarm dat, ik denk het zelf ook, maar het verandert niets aan deze zaak. Het is me duidelijk gemaakt: ik hoor op paars, ook als ik liever in rood wil. Ik heb nog nooit een psycholoog meegemaakt die zo ongelooflijk veel moeite heeft gedaan om me van een rode stoel af te krijgen. Maar hier zijn we dan: het is hem gelukt.

Ik zal nooit meer halve rondjes draaien, of in kleermakerszit tegen hem aanpraten.

En dat is verdrietig. Vanaf nu kijk ik recht in zijn ogen, terwijl ik op zo’n hoog paars ding zit dat niet eens een beetje heen en weer kan schommelen. Als hij nu ook nog de thee in beiden handen gaat dragen in plaats van één, weet ik niet of ik nog langer bij hem kan blijven. We hadden regels. En hij heeft ze – met zijn ziekelijke nonchalance – verbroken.

 

Geef een reactie