Whiskey en Wijn

Na zijn tweede whiskey en mijn derde wijntje, lopen we samen door de koude straten terug naar mijn appartement. Allebei onze handen onder onze oksels geslagen. Het is nog vroeg, maar hij moet naar bed. Hij heeft verplichtingen. Werk en meer van die dingen. Ik bedank hem, open mijn deur en vraag of hij niet nog een biertje wil. Nee. Dat wil hij niet. Hij heeft morgen écht een lange dag. 

Ik ook, maar die gedachte verlaat mijn brein altijd zodra ik mijn eerste wijntje op heb. Dit is beter. Zoals vroeger, toen ik ook gemakkelijk twee drankjes kon doen en naar bed ging.

De volgende ochtend neem ik plaats bij De Meneer Met De Rode Stoel. Het gesprek dat ik de dag ervoor heb gevoerd zit me dwars. Ik wil ook iemand zijn die een ritme heeft, of meedoet, of – ik slik – voor een baas werkt. Ik kijk naar de man tegenover mij: ‘Het zou gewoon makkelijk zijn als ik de motivatie voelde om me aan te passen. Om te zeggen zo hoort het, zo doet iedereen het en nu ga ik bij de Jumbo werken zodat ik het geld heb.’

Hij knikt. Psychologen knikken vooral, of ze zeggen ‘hmmmm’ en knikken. Dat laatste doen ze alleen als je iets vertelt waarvan ze inschatten dat het écht heel belangrijk voor je is. 

Ik ga verder: ‘maar zodra ik iets moet doen waar ik niet volledig voor ga, dan raak ik in paniek. Ik krijg kwaaltjes, ik krijg dwang, ik word verlamd door paniek, ik ga huilen, ik word doodongelukkig omdat ik niet kan doen wat ik echt wil doen…’
‘Even serieus.’ hij leunt naar voren, ‘laten we één ding helder hebben: jij gaat niet voor een baas werken. Nooit.’
Ik kijk hem met open mond aan en begin daarna te lachen. ‘Nee, dat denk ik ook niet.’
‘Heb je ooit voor een baas gewerkt?’
‘Ja…’ ik twijfel. ‘Ja, wel. Ik heb fulltime in een supermarkt gewerkt. Toen had ik na een maand ruzie met de manager. Ik heb andere baantjes gehad, maar ik ben eigenlijk altijd ontslagen.’
‘En waarom was dat?’

Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. ‘Bij de supermarkt omdat ik niet actief genoeg veegde en toen de manager voordeed hoe ik het moest doen, zei ik: ‘Je kunt het zo te zien prima zelf, dus dan laat ik je maar.’ Dat vond hij niet leuk. En bij een promotiebedrijf omdat ik zei dat het allemaal onzinnig uiterlijk vertoon was. Er was een zangschool waar ik werkte, maar ik kreeg ruzie met de hoofddocente omdat ik haar dom vond.’ Ik kijk naar mijn handen. ‘Op de muziekschool waar ik lesgaf, kreeg ik ruzie met een van de leidinggevenden omdat hij zei dat het tillen en aansluiten van apparatuur niks voor een meisje was. Dat vond ik bekrompen en daar zei ik wat van…’

Ik kijk op naar de man tegenover me en hij lacht. Niet uit vriendelijkheid, maar het lijkt erop dat ik hem oprecht vermaak.

‘Je gaat dus niet voor een baas werken.’ concludeert hij. ‘En daar is niks mis mee.’
‘Wel als je faalt en maar doet waar je zin in hebt.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Maar ik heb dat nodig man!’ zeg ik, zijn vraag negerend. ‘Ik heb het nodig dat ik zelf kan bepalen wat ik op een dag ga doen. Gast!’ ik verhef mijn stem en kijk weer naar hem. Zit ‘ie dan, in zijn dure pak, in zijn dure stoel. En ik noemde hem net gast. ‘Ik word al gek van George! George die fucking vijf dagen in de week MOET opstaan omdat dat zo hoort en George die elke dag om dezelfde tijd terugkomt en gewoon vijf fucking dagen in de week doet wat een ander wil en in de weekenden moet hij dan losgaan om dat maandag weer te kunnen doen. Als ik toch zo mijn leven moet indelen…’

Ik hou even op met praten. ‘Ik neem mijn verantwoordelijkheid niet.’ zeg ik dan. ‘Ik weet het, maar ik wíl het niet. Haal me hier weg, ik wíl het niet.’
‘Het komt wel. Als je iets doet wat je leuk vindt, dan komt het allemaal vanzelf wel. Die passie slaat over. Daar kun je op vertrouwen.’

Ik verlaat de ruimte met nieuwe hoop. Ik wil nog steeds schrijven.

En ik wil vier wijntjes drinken in plaats van twee. Ik wil om drie uur ’s nachts naar bed en niet om tien uur ’s avonds. Ik wil uitslapen als ik dat wil en vroeg opstaan als ik dat wil. Ik wil dat niemand me vertelt wat ik wil en ik wil dat iedereen wil dat ik alleen maar dingen doe die ik wil.

Ik wil de persoon zijn die na twee whiskey in de kroeg, het biertje aanneemt van het meisje dat vraagt of ik nog even binnenkom. En ik wil geen enkele dag in mijn leven hebben waarop ik hoef te zeggen: ‘Nee ik heb morgen écht een lange dag, omdat iemand anders me een contract heeft gegeven waarin staat dat ik morgen een lange dag heb.’

 


Eerdere delen gemist?
Existentiële crisis deel 1
Existentiële crisis deel 2

Geef een reactie