Het is midden oktober en het zonlicht was de hele zomer nog niet zo fel als vandaag. Het wordt 25 graden, maar het is nog te vroeg om daar iets van te voelen. Ik heb een onrustige nacht gehad met oneindig veel dromen. Toen de wekker ging was ik blij dat ik mocht opstaan. De nacht was een roes waarin ik elke anderhalf uur wakker werd en niet eens het gevoel had dat ik had geslapen.

Gelukkig mag ik vandaag weer halve rondjes draaien op zijn rode stoel.

‘Vraagt nou niemand iets aan jou?’ Zeg ik van links naar rechts zwiepend.
Hij glimlacht. ‘Nee. Maar je mag alles vragen, zo lang je het antwoord maar accepteert.’
Ik heb geen vragen. Ik had twee weken geleden wel een vraag, want hij zag er slecht uit. Wilde hij niet over praten. Hij was verkouden, vond hij. Dat antwoord accepteerde ik.

Hij legt zijn kladblokje neer. ‘Wat wil je van me weten?’
Ik denk na. Ik weet eigenlijk al best veel van hem door de afgelopen jaren eens in de zoveel tijd een vraag te stellen. Ik weet dingen over zijn gezin, zijn hobby’s en dat zijn moeder elke avond voor zichzelf kookt. Ik weet wat hij heeft gedaan voor hij dit werk deed en dat hij gelooft in God. Ik weet dat hij in zijn vrije tijd geen pak draagt. Meer wil ik eigenlijk niet weten, ik vind het leuk om hem in mijn hoofd een figuur te maken dat, zodra hij thuiskomt een of ander hippie gewaad aantrekt en het bos in loopt om stenen te verzamelen. Of dat hij op de bank ploft en eerst een uur lang naar kattenfilmpjes kijkt op het internet.

Het kan allemaal en ik houd die mogelijkheden graag open. Ik wil niet dat hij ze kapot maakt.

‘Ik hoef niks te weten.’ Zeg ik. ‘Maar ik vroeg laatst aan een vriend of hij het niet raar vindt dat mensen in een kamer tegenover hem komen zitten, wat vertellen en vervolgens niet naar hem vragen. Hij zei daarop dat mensen dat niet interesseert. Dat ze er een uur zitten zodat ze kunnen praten over de dingen waar ze normaal niet over praten.’  Ik val even stil en kijk naar hem op. ‘Waarom is iedereen die hier werkt zo lang?’

Hij proest het uit. ‘Niet iedereen is hier lang.’
‘Ik heb hier nog niemand gezien die niet lang is.’
‘Er zijn wel kleinere bij.’
‘Klein voor jou of klein voor mij?’
‘Nou wel groter dan jij ja, maar wat ben jij? 1.58?
‘Ja.’
‘Dat is klein.’
‘Maar jullie zijn allemaal boven de 1.80’
‘Nee hoor. Ik kan er zo twee opnoemen die dat niet zijn. Maar die dragen hakken.’
‘En dan zijn ze alsnog lang.’

De zon breekt nu echt door. Ik voel mijn rug warmer worden. Hij knijpt zijn oogleden samen en gaat verzitten.
‘Ik heb de vreemdste droom gehad vannacht… Heb jij wel eens vreemde dromen?’
‘Kun je me uitleggen wat je bedoelt met vreemd?’
Ik begin te lachen. ‘Zie je! Je doet het weer.’

 

 

Geef een reactie