Ik nam plaats in de stoel waar ik, volgens hem, altijd zit. We hadden er twee weken geleden nog een discussie over.
‘Zit je daar?!’ zei hij toen hij binnen kwam lopen met twee kopjes thee.
‘Ja…’ ik verschoof wat onhandig op de stoel. ‘Ik weet gewoon niet waar jij altijd zit en daardoor weet ik niet waar ik moet zitten.’

‘Ik zit waar de ander niet zit, maar jij zit altijd daar.’ Hij knikte naar de stoel er tegenover.
‘Niet altijd.’
‘Jawel.’

Het was voor mij 100% zeker dat ik daar niet ”altijd” zit, want ik had de afgelopen weken (sinds hij een nieuwe ruimte heeft) elke keer gewisseld, omdat me niet duidelijk was waar hij nou graag wilde zitten.

Zulke dingen kunnen me bezig houden.
Ik wil iemand niet van zijn vaste plek beroven. Ik ga ook nooit op de plek zitten waar mijn pa zit. Niemand doet dat trouwens. Of er nou een verjaardag is of er visite bij mijn ouders komt: niemand zit op de plek van pa. Het is een ongeschreven regel. Ik ging er vanuit dat het in deze situatie niet anders was. En nog wel belangrijker: ik wilde niet de enige van al die mensen zijn, die een plek uitkiest waar hij altijd zit. Dat hij zijn hele werkomgeving moet omgooien, omdat dat meisje elke keer op zijn stoel gaat zitten.

Ik stond op en liep naar de rode stoel er tegenover. Hij nam direct plaats in zijn paarse stoel.
‘Zo.’ zei hij.
‘Deze stoel zit wel beter.’ bekende ik.

Ik hou van die stoel. Hij is diep, ik kan er in kleermakerszit in plaatsnemen, maar ik kan ook een halve kleermakerszit doen (met een been), terwijl ik mijn andere been op de grond zet en de stoel langzaam van links naar rechts beweeg. Het is een draaistoel. Nu ik erover nadenk, moet het vast storend zijn om tegenover iemand te zitten die een uur lang van links naar rechts zwiept. Hij heeft er nooit wat over gezegd.

Vandaag liep ik meteen naar De Stoel Waar Ik Altijd Inzit. Het was eindelijk duidelijk waar ik, in zijn hoofd, hoorde te gaan zitten. Ik kon het zonder schuldgevoel doen.

Tijdens dit gesprek had ik geen thee, maar water. Hij keek wat op zijn briefje en vroeg of ik deze week overal ‘ja’ op had gezegd. Want dat is mijn nieuwe opdracht. Ik ben een soort Yes-man geworden. Daar heb ik nog steeds gemengde gevoelens over.

Wil ik met de honden van Sikke lopen? Nee. Maar ik doe het, want ik moet overal ja op zeggen.
Wil ik koffie drinken met vrienden terwijl ik ook wat nuttigs kan doen? Nee, maar ik doe het. Wil ik thee in plaats van wijn? Nope, maar vooruit.
Wat het me heeft opgeleverd? Tot nu toe niet veel. Ik kom meer buiten, maar ik vind daar verder niet echt wat van. Ik vind het niet stom, maar ook niet per se leuk. Ik vind niet dat ik nu meer deelneem aan de maatschappij, maar ik vind dat ook niet per se erg.

Het maakt me allemaal eigenlijk niet zo veel uit. Ik haal er niet echt plezier uit. Ik snap dat het in theorie wel zo hoort te zijn, maar ik heb altijd de neiging om mijn boek te pakken als ik bij mensen op bezoek ben.

In de ideale wereld zou ik, terwijl ik koffie ga drinken met iemand, mijn boek uit mijn tas halen, lezen tot mijn koffie op is en weer naar huis gaan. Maar dat schijnt onbehoorlijk gedrag te zijn. Dan word je nooit meer uitgenodigd voor koffie en ik weet niet wat ik erger vind: nooit meer uitgenodigd worden voor iets, of uitgenodigd worden voor iets.

Na ons wekelijkse uur, stond ik op, trok mijn jas aan en hij liep ondertussen naar zijn computer.
‘Vraagje’ zei hij. ‘Zou je in het vervolg ook om elf uur kunnen komen? Zelfde dag.’
Ik keek hem aan. Mijn mond viel nog net niet open. Ik ben geen ochtendmens, nooit geweest en hij wéét dat. Ik haatte hem even. Ik haatte hem omdat hij zijn ”ja plannetje” nu in zijn voordeel liet werken.
Ik klemde mijn kiezen op elkaar, zei ”ja”, waarop hij direct begon te lachen.

Gelukkig weet ik nu wel welke stoel ik moet hebben. Dat is weer een zorg minder.

 

Geef een reactie