Romy en ik zitten net op het terras met een smoothie die naar duizend vruchten had moeten smaken (we proeven alleen banaan), als er iemand aan komt lopen die ik ken.
‘Praat tegen me. Nu!’ Ik draai mijn hoofd naar haar toe.
‘Wat?’ Romy slurpt haar smoothie naar binnen.

‘Ik meen het, zeg wat zodat het lijkt alsof we in gesprek zijn en ik niet doorheb dat hij in de buurt is.’
‘Is da een ex ofzo?’ (Brabanders spreken de ‘t’ op het einde van woorden niet uit).
‘Nee.’ ik schud mijn hoofd. ‘Maar ik heb er geen zin in.’

Even later lopen we door het centrum, als ik weer iemand tegenkom die ik ken. Hij komt recht op ons aflopen. De enige mogelijkheid is het bruggetje dat over de gracht loopt.
‘Kom’ ik trek Romy mee aan haar t-shirt en ze kijkt verward om zich heen.
‘Waarom al die moeite?’
‘Ik maak liever zeshonderd omwegen dan dat ik ‘’hallo’’ moet zeggen met het risico op gesprek.’
‘Is da sociale angst ofzo?’

Nee. Het is geen sociale angst, het is asociale ‘’geen zin in’’. Waarom zou ik een gesprek voeren om het gesprek? Ik ben toch niet buiten om aan mensen te vragen hoe het met ze gaat? Als ik daar geïnteresseerd in was, dan had ik dat al veel eerder aan ze gevraagd. Dan had ik niet gewacht tot ik ze tegen zou komen. Vanwaar toch die beleefdheid?

Romy haalt haar schouders op: ‘Ik vin het wel leuk. Gewoon beetje kletsen en dan ga ik weer.’

Maar zie je, Romy kan dat: ”een beetje kletsen”. Ik niet. Laatst kwam ik per ongeluk iemand tegen en ik kon me niet omdraaien, want ik was al gespot. Mijn gedachten sprongen alle kanten op: 

Oke daar is Chantal, hoe lang is het geleden dat ik Chantal hebt gezien? Drie maanden, hooguit vier. Heeft ze toen wat verteld waar ik nu over kan praten? Nee. Ze is niet interessant. Jawel, ik heb geluisterd, waar kan ik over praten? Haar nieuwe huis? Ja! Haar nieuwe huis. Vraag naar haar nieuwe huis!

Ik kuchte en begon: ‘Hee! Lang niet gesproken, ik hoorde dat je een huis hebt gekocht. Hoe gaat dat?!’ Op het moment dat ik het uitsprak, besefte ik dat ze nog niet eens in de buurt was. Ze schudde haar hoofd en schreeuwde: ‘Wat zei je?’  

Het duurde een ongemakkelijk lange tijd voordat we daadwerkelijk tegenover elkaar stonden. ‘Is alles rond met de koop?’ Ze knikte vriendelijk en begon te vertellen.
‘Oke, leuk leuk.’ zei ik toen ze klaar was. ‘Drukke dag vandaag?’ (Ik wist geen afsluiter). 
‘Ja.’ ze keek naar de grond. ‘Ja heel druk. Ik heb afgesproken met vrienden. High tea.’
Ik trok een gezicht. Zo een waar ik niet trots op ben: ‘Nou! Sterkte dan maar hé!’
Chantal fronste.

‘Ik bedoel plezier. Veel plezier!’

Met gebogen hoofd droop ik af.

Waarom moet ik altijd zo’n debiel zijn als ik mensen tegenkom? Waarom kan ik niet gewoon begrijpen dat sommige mensen high tea leuk vinden en dat ik pas hoef te praten als ze vlakbij me zijn? Wáárom kan ik niet gewoon doen zoals anderen: een beetje wegkijken, een beetje mijn telefoon pakken en dan quasi verbaasd zijn over het feit dat ik iemand tegenkom en doen alsof ik die persoon niet meters daarvoor al heb gezien?

‘Je kunt toch gewoon een beetje kletsen.’ zegt Romy als we, met enige omweg, weer op de hoofdstraat zijn beland.
Nee Romy, dat kan dus niet.

 

 

Geef een reactie