Twee beren die broodjes smeren

‘Dus we gaan stoppen met Lilyrose.’ Hij zegt het terwijl we net op het terras aan de gracht zitten. Eigenlijk is het te koud, maar achter het glas in de zon lukt het prima. Voor mij althans, maar ik ben een roker. Een beetje zon is genoeg om te doen alsof ik het warm heb als ik in ruil daarvoor mag roken en drinken tegelijkertijd.

‘Ik weet het niet man…’ ik grijp naar mijn pakje sigaretten en steek er één op. ‘Ik weet niet meer wat ik wil. Ik dacht dat ik alleen maar wilde schrijven en ineens ben ik vier jaar verder en heb ik het idee alsof ik alleen maar heb geschreven.’ Ik voel een lach op mijn gezicht komen. ‘Dat wilde ik ook, maar alles gaat aan me voorbij. Ik kijk de hele dag uit een raam, daar zie ik mensen leven. Alsof het een hele andere wereld is. Alsof ik die wereld in me opneem, maar er geen deel van ben.’

Meteen denk ik na of ik dan een deel wil zijn, maar dat lijkt me sterk; ik was vier jaar geleden tot de conclusie gekomen dat ik dat niet wilde. Daarom maakte ik deze keuze. Maar wat gebeurt er als je droom helemaal niet je droom blijkt te zijn? Kun je dénken dat je iets wil zonder het daadwerkelijk te willen? Of kun je moe worden van je eigen droom? En wie ben je dan eigenlijk nog?

‘Aha.’ Hij neemt zijn glas van tafel. ‘Je zit in een existentiële crisis.’
‘Nee.’

Ik zou natuurlijk ‘ja’ moeten zeggen, maar een existentiële crisis klinkt zo zwaar en daarbij: die heb ik gepland rond mijn veertigste. Niet op mijn zevenentwintigste. Dit is het moment waarop ik dingen juist hoor te snappen en over een jaar of vijftien mag ik pas denken dat ik er op deze leeftijd helemaal niks van begreep. Zoals ik nu denk dat ik het op mijn zestiende allemaal niet zo goed begreep. 

‘Ik werk me uit de naad. En ik heb helemaal niks bereikt. Niks.’ Het flapt eruit, maar het is wel waar. Ik heb geen geld, geen zekerheid, ik weet niet eens meer of ik dit wel wil doen, mijn hele leven rent voorbij en ik zit op de achterbank. Op mijn grafsteen kun je ”Het leven: Ze stond erbij en keek ernaar” zetten en er zou geen letter gelogen zijn.

De enige reden dat ik hier met hem zit, is omdat hij een goede gesprekspartner is. Als hij dat niet was geweest, had ik het zonde van mijn tijd gevonden. Ik had het als een verplichting gezien. Samen eten met iemand? Waarom? Ik kan toch ook alleen eten?

Voor mij staan afspraken met vrienden gelijk aan jeukende handen, omdat ik iets wil schrijven. Ik wil schrijven. Ik wil schrijven. Ik wil schrijven. Ik wil godverdomme de hele dag schrijven. Maar ik kan niet meer schrijven want ik heb te veel geschreven en te weinig gedaan. Waar moet ik over schrijven? Het goed gelukte broodje dat ik net op mijn bord heb liggen? 

‘Het gaat ook wel door.’ zeg ik als hij uitgepraat is. Ik vraag me af wanneer ik er zo slecht in ben geworden om naar mensen te luisteren. Ik dacht dat dat een van de weinige dingen was die ik kon. ‘Het gaat wel door.’ Ik slik een te grote hap weg. ‘Maar niet meer zoals eerst.’

Hij knikt. Ik drink nog wat, kijk op mijn telefoon – te vroeg voor wijn – en weer naar hem. Hij zit met zijn hoofd in de zon. Net een nieuw appartement. Een nieuwe woonplaats, een nieuwe baan… Hij ziet eruit als iemand die dingen snapt. Ik ben voor hem niet meer dan een beer die een broodje smeert. Hij zit erbij en kijkt ernaar. Wat kun je anders?

 

Geef een reactie