George heeft één grote zwakte: eten. Sinds een week heeft hij zijn zinnen gezet op een enorm paasei. Mijn enorme paasei. Het ei dat ik kreeg voor mijn verjaardag. 

Het paasei is denk ik twintig centimeter hoog. George’s ogen werden groot toen hij het op de eettafel spotte, maar hij deed een poging om nonchalant te blijven. Hij nam plaats aan tafel, bestudeerde het ei, ik deed alsof ik dat niet doorhad, hij kuchte eventjes en zei toen: ‘Wat is dit?’

‘Een paasei.’ antwoordde ik.
‘Oh…’ zijn stem ging omhoog. ‘Hoe kom je eraan?’
‘Gekregen voor mijn verjaardag.’
‘Is het allemaal van chocolade?’
‘Dat denk ik niet.’
‘Wat zit er in het ei dan?’
‘Bonbons.’
‘Wat voor bonbons?’
‘Weet ik niet.’
‘Ga je het ei open maken?’
‘Ja.’
‘Nu?’
‘Nee.’

Hij werd stil en ik moest mijn best doen om niet te gaan lachen.

Die avond verplaatste ik het ei vanaf de eettafel naar de keuken, waar George, elke keer als hij drinken inschonk, even bleef hangen bij het paasei. Vlak voor hij naar bed ging, plukte hij wat aan de feestelijke verpakking. ‘Ga je het nog open maken?’
‘Ja. Morgen.’

Ik zweer je dat ik een zuchtje hoorde. Daarna ging hij naar bed. De volgende middag stond het ei nog steeds onaangetast op het aanrecht. Hij kwam terug van zijn werk en keek direct naar de keuken: ‘Heb je het nou nog niet open gemaakt?’
‘Nee.’
‘Ben je niet nieuwsgierig?’
‘Jawel.’
‘Nou maak open dan!’

Hij had het ei al gepakt en duwde het in mijn handen.

Ik haalde mijn schouders op en begon wat aan de verpakking te trekken. George nam plaats op een stoel aan de eettafel en draaide die bij zodat hij achter me zat. Ik kon zijn adem bijna in mijn nek voelen. ‘Denk je dat het ei zelf ook van chocolade is?’
‘Nee.’
‘Jawel! Dat zou toch raar zijn anders?!’

Stapje voor stapje verwijderde ik de verpakking. Ik had nog minuten door kunnen gaan, maar George viel bijna van zijn stoel af: ‘Schiet nou eens op!’
Ik brak het ei open en middenin lagen een heleboel bonbons.
‘Ja!’ Geroge schreeuwde het uit. ‘Kijk dan! Kijk!’ hij wees naar een gedeelte waar het folie was losgelaten. ‘Het ei zelf is ook van chocolade, ooooh lekker man!’

George deed een vreugdedansje door de kamer.

‘Wie zegt dat jij dat mag opeten?’ vroeg ik en zijn gezicht betrok. De vreugdedans werd gestaakt. Ik gaf hem een bonbon en nam er zelf drie. Daarna gaf ik hem er nog twee. Toen klapte ik de twee chocoladehelfden weer op elkaar. ‘Voor morgen.’ zei ik en George knikte hevig mee.

Inmiddels zijn we een week verder. De bonbons zijn allemaal op, maar het enorme paasei zelf is nog in tact. En mocht ik dat vergeten, dan heb ik gelukkig een George die minimaal een keer per dag zegt: ‘We hebben dat paasei ook nog.’ Dat is nu zijn lievelingszin. Hij gebruikt hem ook zonder dat de gelegenheid zich aandient. Als hij wakker wordt bijvoorbeeld. Of als ik zeg dat we geen avondeten hebben. Of hij loopt naar de keuken en zegt: ‘hebben we nog wat lekkers?’ waarop hij dan de lade opent en zogenaamd verrast is: ‘Oh dat paasei hebben we ook nog!’

Hij is er maar druk mee. Ik laat het nog even zo, dat vind ik leuk. Paaseieren eet je immers toch alleen met pasen? We hebben dus nog een goede week te gaan.

 

 

Geef een reactie