Ooit, een jaar of wat geleden, verscheen er iets van mij in NRC Next. Dat is leuk. Misschien geloven jullie dat niet, maar als je schrijft is dat leuk. Er stond verder niets vermeld over waar men mij kon volgen. Alleen een voor- en achternaam.

Als schrijver ben je dus redelijk anoniem. Je hebt jouw stuk dat toevallig in een krant is verschenen en dat is dat. Het gaat dan een dag – hooguit twee – mee op het internet voordat iedereen je weer vergeet.

Ik besteedde verder overigens geen aandacht aan die publicatie. Ik heb de krant zelf niet gekocht. Die ambitie had ik wel, maar ik zat thuis en ik wilde niet naar buiten. Ik was lui. Dat overkomt menig schrijver regelmatig volgens mij. Mijn tripje naar buiten werd gecanceld en ik dacht er verder niet aan, tot ik mijzelf eens googel-de. Googlede. Googel-de. Googeldde. Geen enkele vorm is juist, denk ik.

Mensen googlen (deze had ik nog niet gehad) zichzelf, ook als ze zeggen dat ze dat niet doen. Ik doe het bijna nooit, maar soms wil ik mijzelf graag martelen. En als je schrijft en jezelf wilt martelen dan ga je naar het web. Want op het web kun je alles vinden. Je weet binnen enkele seconden hoe jouw profiel eruit ziet voor iemand die jou niet kent, maar wel een beeld van je wil vormen. En zo kwam ik op een aantal commentaren die op mijn NRC Next stukje waren geplaatst. Was ik verrast dat mensen de moeite hadden genomen om er iets over te denken? Jazeker. Was ik verbaasd dat ik door een stuk van amper 100 woorden al menig Nederlander een reden had geven om te reageren? Nee.

Alle commentaren heb ik met plezier gelezen.

Op Facebook waren die oppervlakkig. Mensen ”taggen” (goed vervoegd, vind ik) andere mensen die denken dat ze het herkennen. Maar de blogjes en afzeikwebsites hebben daar niet zo veel boodschap aan. Daar gaat het niet om ‘oja ik ken dit’. Op die websites gaat het om: laten we nu doen alsof deze persoon geen mens is, maar een robot die dit heeft ingezonden en deze persoon mogen we nu massaal afzeiken.

De eerste keer dat ik het las, was ik niet beledigd. De tweede en derde keer trouwens ook niet. Ik was verbaasd. Verbaasd dat mensen zo veel waarde hechten aan een stukje van amper 100 woorden. Een stukje geschreven op een dronken avond na een Facetime gesprek met mijn moeder. Ik was verbaasd dat mensen zeiden dat ik ”had gekeken naar hoe de gemiddelde BN’er het doet” (alsof die überhaupt zelf hun column schrijven). Ik was verbaasd dat mensen op hun persoonlijk blog zeiden dat mijn moeder al haar jaren alles voor mij had gedaan en dat ik haar beloon met zo’n kut stuk. Ik was verbaasd dat mensen zeiden dat ik ”vast een moeilijke jeugd had gehad” of ”maar gewoon moest gaan bellen met mijn moeder.”

Dat was helemaal niet het punt van het stukje dat waarschijnlijk 90% van de lezers heeft overgeslagen, omdat het een nietszeggend stuk is. Geen enkel mens kon er iets van waarde uithalen, behalve herkenning. En dat was me ook vast gelukt als mijn woordkeus niet zo achterlijk was, volgens de kritische lezers. En ik ben natuurlijk ook arrogant, verwend, vervelend. Maar het was niet bizar dat mijn stuk was uitgekozen (want zo doen BN’ers het ook). Ik kreeg alleen wel een onvoldoende van de groep. Zo! Dat ik dat maar even wist.

‘Ja…’ zei één van de ”reageerders” op een persoonlijk blog: ‘Ik denk wel dat jij het beter kan hoor, waarom stuur jij nou nooit eens iets in?’
En ik dacht hetzelfde. Iedereen kan gepubliceerd worden. Stuur eens wat in joh!
‘Nee.’ reageerde degene die er zijn dagtaak van had gemaakt om anderen te bekritiseren. ‘Dat beloofd niks goeds, als zij al gepubliceerd word dan heeft het geen waarde.’

Ik begon een beetje te lachen en sloot Google maar gewoon weer af. Want als jouw criticus er eentje is die ”beloofd” en ”word” schrijft, dan mag je dingen afsluiten. Ze waren overigens nog niet klaar. In de verte van de comments had ik nog gespot dat iedereen dingen op Facebook kwijt kan en dat mijn stukje daar probleemloos tussen zou passen.

Daarop knikte ik dan ook. Het klopte. Het enige punt was dat ik mijn anonimiteit had opgegeven en me had opengesteld voor de alwetende criticus op zijn bank. De criticus die vol smart, met zijn laptop op schoot, wachtte tot hij het volgende stuk kon afbranden.

Waarom hij zelf, ondank zijn buitengewone schrijftalent nooit iets heeft ingestuurd? Ik weet het niet. Misschien omdat hij bang was net zo beroemdt te worden als ik.

 

4 reacties

    • Jacky

      Ohja was het drie maart?! Ik dacht later in het jaar! 🙂 Dank voor het delen van de link (ik dacht dat ik inmiddels alweer verdwenen was)

    • Jacky

      Ik vind het ook altijd zo opvallend dat als je iets doet op internet, of iets als dit, er personen zijn die er automatisch vanuit gaan dat je niet echt bestaat en dat alles maar gezegd mag worden. Alsof je een kartonnen personage bent. Het blijft me fascineren.